Robbyverhaal – Armoede (op den) buiten

0
380

Michelle Chielens, leerkracht binnen Arkorum, werkte het Robbyverhaal helemaal uit tot een speelbaar toneel voor de 4 weken. Hieronder vind je de volledig uitgeschreven tekst. Wij zijn Michelle heel dankbaar dat zij die wil delen met ons.

 

Week 1

 

Verteller: Uitgelaten stormen Robby en Jeroen de klas binnen. Ze zijn nog helemaal
in de ban van hun spelletje politie en boef tijdens de speeltijd. Als ze het
mooi versierde bord zien, vallen ze even stil. “Op den buiten,” prijkt er in
sierlijke letters vooraan in de klas. Ook Lena en Fatmira hebben het gezien.

 

Lena: (nieuwsgierig) Wat zou dat zijn?

 

Verteller: Al snel ontstaat er een druk gesprek.

 

Kind a: Zouden we buiten gaan spelen?

 

Kind b: Of gaat ’t over het platteland?

 

Kind c: En wat is dat precies, het platteland.

 

Juf:     Jongens, meisjes, even aandacht!

Verteller: De juf legt haar opgewonden klas kordaat het zwijgen op. Jeroens vinger
schiet de lucht in. Hij stelt de vraag die op de lippen van al zijn
klasgenootjes brandt:

Jeroen: Juf, waarom staat er “Op den buiten” op het bord?
Juf:     Dat heb je goed gezien.(lacht)  Dat woord staat daar omdat ik jullie graag wat
uitleg wil geven over een project waar we met onze klas aan gaan werken.

Verteller: De juf begint te vertellen over een uitwisseling die eraan komt.
Met de hele klas zullen ze enkele dagen les volgen in een dorpsschooltje op
het platteland. Alle leerlingen verblijven in een gastgezin. Robby’s
gedachten dwalen bijna onmiddellijk af.


Robby: (stilletjes tegen zichzelf)  Ik vind ’t allemaal wel spannend, maar ik maak me
toch zorgen: wat gaat dat weer kosten? En hoe zullen ze daar geraken?
Mama was vorige keer al boos toen ze een busticket moest kopen. En dan
blijven slapen…
Verteller: Robby denkt aan zijn pyjama die een beetje te klein is. Zullen ze hem daar
niet  mee
uitlachen? En wie moet Jordy dan elke morgen naar school
brengen? Robby ziet het even niet meer zitten.
Juf Sofie haalt Robby weer uit z’n gedachten:

Juf:     Wie weet er iets over het platteland? ( Ze kijkt haar klas vol verwachting aan.)
Ben:   Daar wonen alleen maar boeren… En koeien. (roept hij er nog snel bij)

Verteller: Hij kijkt zelfvoldaan de klas rond. Zo, nu weet iedereen ineens wat hij van
het project vindt. Jef doet er een schepje bovenop:

 

Jef:     Is daar wel iets te beleven?

 

Verteller:  Voorzichtig steekt Anne haar vinger op.

Anne:             Mijn oma woont op een boerderij. Het is geweldig om daar te gaan logeren. In
de zomer spelen we verstoppertje in de velden rond het huis en als het wat
kouder wordt kunnen we verse warme chocomelk drinken.

 

Lena: Ja. (schiet ook recht) Ik las pas nog een boek over kinderen die allemaal
avonturen beleven op het platteland. Ze kweken zelfs hun eigen groenten en
fruit, zitten altijd in het groen en kunnen buiten spelen wanneer ze maar
willen.

 

Ben:   (mompelt binnensmonds) En toch ga ik niet mee naar dat stomme platteland.

 

Verteller: De rest van de klas geeft hem geen aandacht meer. Ze zijn helemaal in de
ban van het verhaal dat de juf nu aan de hand van kleurrijke prenten
vertelt.

 

Verteller: De volgende dag heeft de juf goed nieuws:

 

Juf:     De koffer van de andere klas is aangekomen?

 

Klas:  Koffer?  ( Een klas vol vragende gezichtjes staart haar aan.)

 

Juf:     Alle kinderen van de klas waarmee we gaan uitwisselen hebben
samengewerkt aan een koffer, speciaal voor ons. Iedereen heeft er één
voorwerp van zichzelf in gestoken en een fiche met wat meer uitleg over wie
ze zijn. Verder zit er ook nog een vragenlijst voor ons in, én iets waar ze met
de hele klas aan gewerkt hebben.

 

(Het geroezemoes in de klas wordt weer luider)

 

Jeroen: Juf , juf, gaan wij dan ook zo’n koffer maken?  Want de andere klas moet ons
toch ook kennen, hé?

Juf:     (lacht) Geen paniek!  Jullie mogen eerst je eigen gastgezin wat beter leren
kennen, en dan gaan we zelf ook aan de slag.”

 

(Juf doet de koffer open en deelt de fiches uit)

 

Verteller: Al snel blijkt dat Robby en Jeroen samen in het gezin van Ruben terecht
zullen komen. Robby is stiekem blij dat hij er niet helemaal alleen voor
staat. Met Jeroen aan z’n zij voelt hij zich toch altijd een beetje zekerder. In
zijn ooghoek ziet hij Lena knipogen naar Fatmira, die glunderend haar duim
opsteekt. Ook zij zullen samen naar het platteland trekken.

 

Lena: Wij mogen op bezoek bij Jana.

 

Jeroen: (leest) Ruben heeft 2 zussen.  Ze wonen in een groot huis met een tuin.

 

Verteller: Als Robby Rubens foto ziet, wordt hij een beetje stil. Ruben draagt wel erg
chique kleren, hij is vast superrijk. Wat zal hij wel niet van Robby denken?

Fatmira: (leest) Jana heeft een klein broertje heeft waar ze vaak voor moet zorgen
sinds haar papa overleden is.

 

Robby: (denk) Hé, die Jana moet net als ik ook op haar broertje letten. Wat zou ik
graag bij Jana logeren.

 

Verteller: Gelukkig is er daarna niet veel tijd meer om te piekeren. Vol enthousiasme
beginnen de leerlingen aan hun eigen koffer.

 

Jeroen: Robby, wil jij anders de tekeningen maken over onze school? Jij kan dat zo
goed.

 

Robby: (enhousiast) oké!   (begint snel)
Dit wordt de coolste strip die ik ooit heb gemaakt!

 

Verteller: Terwijl Robby de tekeningen verder afwerkt buigt Jeroen zich over de

                fiches. Wat verderop zijn Lena en Fatmira ook druk bezig. Langzaam maar
zeker krijgt de koffer vorm
.

 

Verteller: Een week later is het zo ver: de plattelandsklassen. Alle leerlingen hebben
zich verzameld aan de schoolpoort. Het was nog een heel gedoe om op tijd
op school te geraken met al die koffers. Robby was de hele avond bezig
geweest met de juiste spulletjes bijeen te zoeken. Hij had nog lang liggen
piekeren: hoe zal het huis van Ruben eruitzien? Zal ik niet te veel uit de
toon vallen? Heb ik wel de juiste dingen meegepakt? Hij had er zelfs nog
even aan gedacht om tegen z’n mama te zeggen dat hij ziek was en dus
niet mee kon gaan, maar dat durfde hij net niet. Dus staat hij nu tussen de
andere kinderen van zijn klas vol spanning te wachten. Wachten op de bus
nog wel. Voor Robby is het een meevaller: ze moeten hun vervoer niet
betalen. De dorpsschool heeft immers een schoolbus die door de gemeente
betaald wordt. En die schoolbus komt hen direct ophalen.
Na enkele minuten spannend afwachten komt er eindelijk een grote rode
bus om de hoek
.

 

Jeroen: Daar is de bus! (Hij wipt op en neer van opwinding.)

 

Ben:   Ik wil vanachter! Ik wil vanachter! (baant zich een weg tussen de kinderen en
hun koffers.

 

Juf:     Even rustig, daar! We moeten eerst al onze koffers in de laadruimte puzzelen. Anders kunnen we niet vertrekken.

 

Verteller: Met veel moeite slepen alle leerlingen kun tassen naar de bus. Onder
vakkundige begeleiding van de buschauffeur slagen ze erin alles te doen
passen.

 

Juf:     En dan nu: hop de bus in, op weg naar de gastgezinnen! We zijn…. Vertrokken!

 

 

 

Week 2

 

Juf:     Goeiemorgen allemaal.

 

Verteller: Het kleine klasje zit overvol. Aan alle tafeltjes zijn stoelen bijgezet. De twee

                klassen passen maar nét in het lokaal.

 

Robby: Hé! Twee juffen voor de klas, dat maken we ook niet elke dag mee.

 

Juf:     Weet je wat, Robby, jij mag me even voorstellen aan de andere kinderen.

 

Robby: (staat voorzichtig op) Nou, dit is onze juf Sofie. Ze is soms heel streng …
(fluistert) vooral als je niet luistert. Maar ze kan ook heel lief zijn.

 

Ruben: (staat nu ook recht). Dan zal ik onze juf ook maar eens voorstellen zeker?”

(kijkt vragend naar zijn juf).

 

Juf b:     Doe maar, Ruben.

 

Ruben:  Tadaaaa! Dit is juf Joke! Ze staat altijd voor je klaar, maar ze kan er niet
tegen als je naar buiten zit te kijken en niet oplet. Of babbelen, vindt ze ook
maar niks.  En lopen in de gang. En ruzie maken. En knoeien met eten.
En…

 

Juf b:  (lacht) Zo is het wel goed geweest, Ruben. We zullen er maar meteen
invliegen zeker?”

Vandaag trekken we naar buiten. We gaan het dorp onveilig maken met een
heus dorpsspel. Jullie mogen groepjes maken zodat er in elk groepje iemand
zit die ons dorpje al een beetje kent.

 

Verteller: Al snel vormen Ruben en Jana samen met hun gasten een team.

 

Jeroen: Wij gaan winnen!”

 

Verteller: Jeroen paradeert over de speelplaats en laat het weten aan iedereen die
het maar wil horen. Maar niet iedereen is zo enthousiast als het groepje van
Robby. Ben is boos en wil niet meedoen met de zoektocht in het dorp. Hij
verkondigt luidkeels dat er toch niets te beleven valt
.

 

Ben:   Pfoe! Dorpsspel… Op twee minuten heb je hier toch alles gezien. Ik wacht wel
binnen tot jullie terug zijn hoor!”

 

Juf:     In groepjes gaan staan zei ik. Dat geldt ook voor jou, Ben.

 

Verteller: Dolenthousiast stormen de leerlingen even later de poort uit. Robby kijkt op
het opdrachtenblad.

 

Robby: Oké, we moeten naar het kerkje voor opdracht één. Ruben, wijs jij de weg?”

 

Verteller: Ze gaan helemaal op in het spel. Al na een paar minuten gedraagt Jeroen
zich alsof hij dagelijks rondleidingen geeft in het dorp.

 

Jeroen: Oh, het cafeetje? Dat zag ik al hoor! Volg de leider!

Verteller: Zelfs Ben holt dan toch van locatie naar locatie, al kan er nauwelijks een
lachje af.

 

Robby verbaast zich over de rust die over het dorpje hangt. Er rijden amper
auto’s, en veel mensen komen ze onderweg niet tegen. Wat een contrast
met de bruisende drukke buurt waar hij zelf woont.

 

Lena: Kom snel, onze laatste opdracht! Naar de kruidenier

 

Jeroen/Robby: Kruidenier?” (Jeroen en Robby kijken elkaar vragend aan)

 

Jana:  Dat is het dorpswinkeltje.

 

Jeroen: Verkopen ze daar alleen maar kruiden dan?

 

Jana:  Nee gekkie, dat is zoals een supermarkt, maar dan veel kleiner.

 

Jeroen: Oeh, spannend, dát moet ik zien!

 

Verteller: Jeroen rent alweer tien meter voor de anderen uit. De teleurstelling is
echter groot als ze bij de kruidenier aankomen.

 

Lena: (pruilt) ’t Is gesloten.

 

Jana: (sip) De laatste tijd doet hij steeds minder vaak open.

Meneer Fons wordt ook al een dagje ouder, hij kan het niet meer aan om elke
dag in de winkel te staan.

 

Verteller:  Gelukkig laat het team zich niet uit het lood slaan.

 

Robby: Hop hop! Haast je, terug naar school, misschien zijn we wel de eersten!

 

Verteler: De rest van de dag vliegt voorbij. Nog voor ze er erg in hebben zit de
schooldag erop. En ze hebben geluk: vandaag mogen ze met Lena en
Fatmira mee naar Jana’s huis. Samen gaan ze pannenkoeken bakken voor
het kerstfeestje op school de volgende dag. Als ze binnenkomen, voelt
Robby zich meteen al thuis. Het is er huiselijk en op de achtergrond speelt
de tv. Gelukkig is het er ook niet te chique, en de meubels lijken uit de
kringwinkel te komen. Terwijl ze neerploffen in de grauwe zetel fluistert hij
tegen Lena:

Robby: Dit is al een beetje meer zoals bij ons thuis hé. Bij Ruben durf ik bijna
nergens aankomen. Alles is er zo chique en duur.

 

Lena: (knikt) Ik begrijp helemaal wat je bedoelt, Robby.

 

Verteller: Dan is het tijd voor het echte werk.

 

Jeroen: Laat mij maar even. Ik heb dat al vaak gedaan met mijn mama. Ze kan heel
goed koken.

 

Fatmira:(Fatmira en Lena kijken elkaar aan en zuchten) Dat wéten we intussen wel,
meneer de chefkok.

 

( Even wil Jeroen er wat op zeggen, maar dan barsten ze allemaal in lachen uit.)

Jeroen:  Jana, hebben jullie eieren? En bloem en melk?

Verteller:Jana gaat op zoek in de keukenkastjes, maar vindt slechts een klein restje

                bloem.

 

Ruben: Wat nu?

 

Verteller: Jana kijkt beteuterd. Fatmira begrijpt niet goed wat het probleem is.

 

Fatmira: We kunnen toch naar de supermarkt gaan?

Lena:             Of naar de kruidenier?

 

Jana:  Die is gesloten. En de supermarkt is zo ver, dat is helemaal in het volgende
dorp!

 

Fatmira: Dan gaan we toch snel met de auto.

 

Jana:  Hebben we niet…

 

Robby: (voorzichtig) Weet je wat mama en ik altijd doen? “We gaan met de bus.

 

Jana: Dat gaat ook niet.  Hier rijdt alleen een belbus, die moet je twee uur op
voorhand bellen, en dan is de supermarkt alweer gesloten.

 

Verteller: Jana ziet het nu helemaal niet meer zitten. Ze zullen morgen met lege
handen op het kerstfeestje moeten aankomen.

    Dat is echter buiten Ruben gerekend.

 

Ruben: We gaan ons toch niet laten doen door een beetje bloem?
Ik heb een idee: Jana, hebben jullie fietsen hier? ’t Is misschien wat ver,
maar als we allemaal samen gaan kunnen we elkaar toch aanmoedigen?

 

Jana:  (aarzelt) Euhm ja, we hebben wel fietsen.  “Maar ik weet niet…

 

Ruben: (onderbreekt) Dan gaan we er toch voor?

 

Jana:  Maar..  We hebben eigenlijk maar één goede fiets, de andere twee zijn van
mijn mama en broertje. Die zijn veel te groot en te klein voor ons.

 

Ruben: (vol overtuiging) Dan wisselen we onderweg wel af. Samen komen we er wel!

 

Verteller: Robby houdt zich een beetje op de achtergrond. Hij kan niet zo heel goed
fietsen, thuis heeft hij helemaal geen fiets. En dan nog op zo’n te grote of te
kleine fiets… Hij ziet het echt niet zitten. Toch durft hij niets te zeggen. Hij
maakt zich maar zo klein mogelijk en hoopt dat ze hem niet zien.

 

Ruben: (enthousiast) Komaan, we gaan vertrekken. Wie gaat er mee fietsen?

 

Verteller: Tot Robby’s opluchting springen Fatmira en Jeroen meteen recht.

 

Ruben: We zijn weg!

 

Jana: Dan zullen wij voor melk en eieren zorgen. Die kunnen we wel gaan lenen bij
de buren, die hebben kippen op hun boerderij.

Fatmira:  Tot straks!

 

Verteller: Robby voelt zich meteen beter nu hij alleen is met Lena en Jana.

 

Robby: Die pannenkoeken komen er wel.  Wat een team!

 

 

 

Week 3

 

Verteller: ‘‘Oh dennenboom, oh dennenboom,…” klinkt het op de radio. De tafels
zijn aan de kant geschoven, en alle kinderen zitten knus bij elkaar in een
kring. Hier is duidelijk een kerstfeestje aan de gang! Vooraan in de klas

                staat een hele tafel vol lekkernijen. Een cake van de mama van Marit, kleine

                potjes pudding van Jarne’s oma en helemaal in het midden… een prachtige

                stapel goudgele pannenkoeken!

 

Verteller: Robby is nog nooit zo trots geweest op iets wat hij had gemaakt als

                vandaag. Het is moeilijk geweest, maar de heerlijk geurende pannenkoeken

                staan er toch maar mooi! Robby laat zijn gedachten even afdwalen en denkt
terug aan het bezoekje bij de buren van Jana. Wat waren dat vriendelijke

                mensen! Hun huisje zag er maar bouwvallig uit, maar binnen was het
supergezellig. Ze hadden direct een kop warme melk gekregen en Robby
mocht zelfs mee gaan kijken hoe boer Jef de koeien ging melken. De eieren
en melk waren ook helemaal geen probleem. Buurvrouw Mia trok met
plezier naar het kippenhok, om terug te komen met een mandje vol verse
eieren. En boer Jef had maar al te graag een paar flessen verse melk aan
Robby en z’n vriendjes meegeven. Robby voelde zich al snel helemaal thuis.
Hij had nog een hele tijd met de honden op het erf gespeeld, terwijl Lena en
Jana een stel kuikentjes achtervolgden. Hij vond het bijna jammer dat ze
terug moesten om aan de pannenkoeken te beginnen.

 

Verteller: Juf Sofie leest het kerstverhaal voor. Robby heeft het al vaak gehoord,
maar hij kan er niet genoeg van krijgen. Ook de rest van de klas hangt aan
haar lippen. Terwijl het buiten lichtjes begint te sneeuwen, vertelt de juf over
Jozef en Maria die geen plekje in de herberg vinden, van de dieren in de
stal en van Jezus die geboren wordt. Robby ziet het al helemaal voor zich.
Als juf Sofie uitverteld is, slaat de aandachtige stilte van eerst al snel om in
een steeds luider wordend gefluister. De leerlingen hebben elkaar duidelijk
veel te vertellen! Gelukkig hebben de juffen daar wat op gevonden.

 

Juf b:  We gaan vandaag in hoeken werken. Dan kunnen jullie rustig samenwerken
en elkaar alles vertellen wat jullie maar willen.

 

Juf:     We gaan met z’n allen twee prachtige kerststallen knutselen.

En aan het einde van de dag kan elke klas er eentje meenemen.

 

Verteller: Aan de blije gezichtjes te zien hebben de klassen er zin in.

 

Juf b:  Aan dat tafeltje in de hoek gaan we met klei de figuren maken, daar rechts
kunnen jullie schaapjes met wol maken, links engeltjes, en vooraan glitterende
sterren.”

 

 

 

Week 4

 

Verteller: Al snel vindt iedereen een plaatsje. Robby, Lena en Jana komen terecht
aan het tafeltje met de klei. Ze vliegen er meteen in.

 

Robby: Zal ik Jozef maken?

 

Verteller: Lena is al in de weer met een kribbe voor kindje Jezus. Even later sluiten
ook Ruben, Jeroen en Fatmira aan.

 

Ruben:  Wauw, Robby, wat kan je dat goed!  Ga je soms naar de tekenles?

 

Robby: (verlegen) Nee hoor.

 

Verteller: Tekenles… dat zou pas leuk zijn! Maar Robby weet best dat daar thuis
geen geld voor is.

 

Ruben: Heb je andere hobby’s dan?

 

Verteller: Robby weet niet goed wat hij moet zeggen. Hij voetbalt wel graag, maar
niet in een club zoals Ruben. Hij werkt zwijgend verder aan zijn Jozef in
klei.

 

Ruben: Ik doe tennis, voetbal en muziekles.

 

Verteller: Robby merkt dat Jana naast hem ook wat stiller is geworden.

 

Robby: (fluistert heel zacht tegen Jana) Ik heb geen hobby’s.

 

Verteller: Hij ziet de opluchting op Jana’s gezicht.

 

Jana: (fluistert) Ik ook niet.

Vroeger ging ik elke week naar de balletles, maar nu papa er niet meer is, lukt
dat niet meer.

 

Verteller: Lena probeert snel van onderwerp te veranderen.

 

Lena: Zeg Ruben, was die tennisbal uit de klaskoffer dan van jou?

 

Ruben: Goed geraden, Lena.

 

Lena: Jouw voorwerp zou ik niet direct kunnen raden. Dat postkaartje met de
poesjes erop is van mij.  Ik hou heel veel van poezen.

 

Verteller: En terwijl ze lustig verderwerken aan de kerststal, gaat het gesprek nu
over wie wat in de koffer gestoken heeft. En daarna over iedereens
lievelingseten, favoriete tv-programma’s, schoolvakken,… De mondjes staan
niet stil!

 

Verteller: Iedereen is zo druk aan het praten dat ze juf Sofie en juf Joke nauwelijks
horen zeggen dat het bijna tijd is. Wat is de dag snel gegaan! Robby vond
het een leuke dag. Hij is best trots op zijn zelfgemaakte Jozef. Ook de
andere knutselwerkjes worden nu naar voor gebracht. De twee kerststallen
krijgen steeds meer vorm. Juf Sofie leidt alles in goede banen:

Juf :    Eerst de beeldjes. Ruben, Robby, brengen jullie de werkjes van jullie tafel
naar hier? En jij mag de sterren al gaan halen, Sarah.

 

Verteller: Het eindresultaat is prachtig: twee geweldige kerststallen waar iedereen
aan heeft meegewerkt.

 

Juf b:  Ik denk dat dit wel een applausje verdient.

 

(applaus)

 

Juf b:  Jongens en meisjes, welke kerststal gaan we bij ons houden? En welke geven
we mee aan de klas van juf Sofie?

 

Verteller: Iedereen begint door elkaar te praten. De wildste ideeën om de kerststallen
te verdelen vliegen door het klaslokaal.

 

Juf:     Ik weet wat we doen. We geven elke stal een nummer, en trekken dan
gewoon een nummertje. Als duidelijk is welke stal naar welke klas zal gaan,
roept Jeroen door de klas.
Jeroen: Vanaf nu zullen we altijd aan jullie denken als we Kerstmis vieren. Ik kijk al
uit naar de volgende kerst!

 

Juf:     (glimlacht) Zo is dat.

 

Juf b: En dan nu… tijd voor een groepsfoto, niet?

Dan hebben we een bewijs van onze geweldige avonturen hier.

 

Verteller: De twee klassen zoeken een plekje rond de kerststalletjes. Robby kan het
niet helpen, maar hij wordt een beetje verdrietig vanbinnen. Het was zo’n
fijne week hier bij Ruben en Jana en alle anderen. En ook al voelde hij zich
niet altijd helemaal op zijn gemak bij Ruben, ze zijn toch goede vrienden
geworden. Robby zou best wat langer willen blijven. Maar dan bedenkt hij
ineens dat hij Ruben snel weer zal zien. Na de kerstvakantie komt Ruben
immers naar Jeroen of Robby! Zo blij als hij eerst was bij die gedachten, zo
bang wordt hij als hij er verder over nadenkt. Wat gaat dat geven… Hopelijk
vindt Ruben zijn huis niet te lelijk. Robby wil weer beginnen piekeren, maar
gelukkig sleept Lena hem mee.

 

Lena:             Komaan, Robby, we mogen de pannenkoeken opeten.

 

Verteller: Robby zet z’n zorgen nog even uit z’n hoofd.

 

Robby: Nu is het kerstfeest. Even tijd om te genieten.

(hij neemt een hapje van zijn zelfgemaakte pannenkoek.)